Hij streefde naar de heropleving van de Islaam en het begrijpen van de Tawheed en het werkelijk naleven van de Tawheed.”

Zijn naam: Taqi-A-Din 3abdul3abbaas Ahmad ibn 3abd-Al-Halim ibn 3abd as-Salaam ibn Taymiyyah Al-Harrani.
Zijn geboortejaar: In het jaar 662 A.H. in Harran.
Zijn sterfjaar: In het jaar 729 A.H. in Damascus.

Inleiding

Zijn volledige naam is Taqi-A-Din 3abdul3abbaas Ahmad ibn 3abd-Al-Halim ibn 3abd as-Salaam ibn Taymiyyah Al-Harrani.

تقي الدين أبو العباس أحمد بن عبد السلام بن عبد الله ابن تيمية الحراني

Ibn Taymiyyah werd geboren in 1263 in Harran, in een welbekende familie van theologen en stierf in 1328, in Damascus (Syrië) buiten de Islamitische begraafplaats. Zijn grootvader, Al-Barkat Majd Ad-Deen ibn Taymiyyah Al-Hanbali die overigens stierf in 1255, was een gerenommeerde leraar van de Hanbali-wetschool. Tevens waren de wetenschappelijke prestaties van de vader van ibn Taymiyyah, Shihab a-Ddien 3abd Al-Haliem ibn Taymiyyah, zeer bekend. Hij stierf in 1284.

Vanwege de Mongoolse invasie, verhuisde de familie van ibn Taymiyyah naar Damascus in 1268, die vervolgens geregeerd werd door de Mamelukken van Egypte. Het was in Egypte waar zijn vader zijn preken hield vanaf de kansel van de Oemayyad moskee en ibn Taymiyyah volgde zijn voetsporen door het studeren bij de grote geleerden van zijn tijd, waaronder bij een vrouwelijke geleerde met de naam; Zaynab bint Makki waarvan hij de ahaadith geleerd heeft. Ibn Taymiyyah was een ijverige student en hij raakte bekend met de seculiere en religieuze wetenschappen van zijn tijd. Hij besteedde bijzonder veel aandacht aan de Arabische literatuur en won de meesterschap over de grammatica, lexicografie en alsook van het bestuderen van wiskunde en kalligrafie. Zijn wetenschappelijke ijverheid, gecombineerd met zijn intense partijdigheid en hypergrafie heeft ertoe geleid dat vele tijdgenoten en latere waarnemers, met name ibn Batutta hem beschouwden als mentaal onevenwichtig.

Ten aanzien van de religieuze wetenschappen, studeerde hij jurisprudentie van zijn vader en werd ook een vertegenwoordiger van de Hanbali wetschool. Hoewel hij zijn hele leven trouw bleef aan die wetschool, wiens leer hij resoluut onder de knie had, verwierf hij ook kennis van de Islamitische disciplines van de Qur’aan en de Hadith. Hij studeerde theologie (3ilm al-Kalam) , filosofie en Soefisme, wat hij later afwees. (zie 3aqiedatul-waasitiyyah daarussalaam publications).

Hij weerlegde de Shi3a Raafidah, evenals de Christenen.
Zijn leerling, Ibnu al-Qayyim Al-Djawziyyah, auteur van het beroemde gedicht: ”O Christus Aanbidders”  A3obbaad al-Masieh onderzocht het dogma van de Drie-Eenheid die voorgelegd werden door heel veel christelijke sekten.

Ibn Taymiyyah’s problemen met de overheid begonnen toen hij met een delegatie van geleerden meeging om te praten met Ghazan Khan, de Khan (militaire leider) van de Mongoolse Ilkhans in Iran, om zijn aanval tegen de moslims te stoppen. Er werd vermeld dat geen enkele 3ulamaa iets durfde te zeggen tegen de Khan, behalve ibn Taymiyyah. Hij zei tegen hem: ”U beweert dat u moslim bent, en u heeft Mu’adhins, moefties, Imaams en Shuyoukh bij u, maar u heeft ons land bereikt en u heeft ons land binnengevallen voor wat? Terwijl uw vader en uw grootvader, Hulagu die geen moslims waren ons niet hebben aangevallen en zij hielden zich aan hun belofte. Maar u hebt het beloofd en hebt uw belofte verbroken.”

Zijn strijd

Ibn Taymiyyah verwierp het tegengaan van de kalaam van de Asma Wa Sifat (Goddelijke Namen en Eigenschappen van God), omdat de voorrang hier na niet door salaf is vastgesteld. Hij betoogde dat de metgezellen en de vroege generaties niet hun toevlucht zochten bij de filosofische uitleg wat betreft het begrijpen van de Goddelijke Namen en Eigenschappen.Hij vervolgde verder dat stel dat de salaf er voordeel in hadden gehad in deze toevlucht, dat zij het gedaan zouden hebben en dat zij het aangemoedigd zouden hebben. Daarom werd ibn Taymiyyah beschuldigd door zijn tegenstanders dat hij weliswaar antropomorfisch was in zijn houding ten opzichte van de Namen en Eigenschappen van Allah.

In feite, in zijn boek Kitaaboel Wasatiyyah, weerlegt ibn Taymiyyah het standpunt Mushabbihah (degenen die de schepping met Allaah vergelijken, antropomorfisme), en degenen die het ontkennen, en de toevlucht nemen tot allegorische/metaforische interpretaties van de Goddelijke Namen en Eigenschappen. Hij concludeert dat de methodologie van de Salaf is om de middelste pad te nemen tussen de uitersten van antropomorfisme en vervorming. Hij voegt hier aan toe dat de Salaf bevestigde dat alle Namen en Eigenschappen van Allah zonder tashbih, takyief, ta3tiel en ta’wiel is.

Wat vaak aangehaald word, is het beroemde incident van imaam Maalik, waarin hij kort gereageerd heeft op een man die vroeg: ”Hoe heeft Allaah Zichzelf doen stijgen boven de Troon? (istawa). Hij antwoordde dat het ”omhoog stijgen (istawa) bekend is, en dat ”hoe” niet begrepen word, en het geloven hierin een verplichting is, en onderzoekende vragen ten aanzien van dergelijke zaken een verwerpelijke innovatie (bid’ah) is.

Door ibn Taymiyah’s vrijmoedigheid, zijn eerbied voor de salaf en de volslagen intolerantie voor de standpunten van andere dan de zijne, werd hij een aantal keren  gevangen gezet voor het strijd aangaan met de idjmaa3  van juristen en theologen van zijn tijd. Afgezien van dat, leidde hij het verzet van de Mongoolse invasie van Damascus in 1300. In de jaren die er volgden, was Ibn Taymiyyah bezig met een intensieve polemieke activiteit tegen: (1) de Kasrawan sjiieten in Libanon, (2) de Rifa3i soefi-orde, en (3) de ittihadiyah school, een school die voortgekomen is van de leer van Ibn 3arabi, die op grote schaal veroordeeld werden als ketters.

In 1306 werd ibn Taymiyyah opgesloten in de citadel van Caïro voor achttien maanden op beschuldiging van antropomorfisme. Hij werd opnieuw opgesloten in 1308 voor enkele maanden.

Ibn Taymiyyah bracht zijn laatste vijftien jaar door in Damascus, waar een kring van volgelingen om hem zijn gaan vormen uit elke sociale klasse. De beroemdste van deze volgelingen was ibn Qayyim.

Van augustus 1320 tot februari 1321 werd Ibn Taymiyyah gevangen genomen op bevel van Caïro in de citadel van Damascus voor het ondersteunen van een doctrine (leerstelling) die het gemak zou beperken waarmee een moslim man traditioneel van zijn vrouw kon scheiden.

Ibn Taymiyyah was een vurige criticus als het gaat om de verering van graven en deze te behandelen als plaats van aanbidding en het verrichten van smeekbeden.  Hij stelde dat wanneer een moslim zegt: “La ilaha illa Allah” (ook wel bekend als de Shahada), hij / zij getuigt dat hij / zij enkel en alleen Allaah aanbidt. Wanneer iemand via een tussenpersoon hulp inschakelt om toenadering tot Allaah te zoeken, begaat hij een handeling van Shirk. (Je kent dus deelgenoten toe aan Allaah). Hierover nam Ibn Taymiyyah het bewijs dat de Salaf hebben bevestigd dat het geloven in de Tawheed als voorwaarde heeft dat je gelooft in Allaah’s Heerschappij, en dat Hij alleen de Rabb is, en dat men alleen Hem moet aanbidden.

Het geloven dat Allaah de Enige is die het verdient om aanbeden te worden, staat centraal in de Islaam, en het is een cruciale reden waarom heidenen in de tijd van Mohammad hem afwezen, hoewel zij wel geloofden in Allaah en zijn bestaan bevestigden. Echter, zij maakten bezwaar tegen Mohammad als het ging om de tweede punt, namelijk om enkel Allaah te aanbidden, en alleen tot Hem een smeekbede verrichten en alleen aan Hem om hulp te vragen. Ibn Taymiyyah verklaart verder dat de aanbidding (3ibaadah) een breed toepassingsgebied heeft binnen de Islaam, want het vereist volledige 3uboediyyah (dienstbaarheid) aan Allaah. Dus het geloven in de Islaam bevat ook conventionele daden van aanbidding, zoals de gebeden die vijf keer per dag verricht dient te worden, het vasten, en het verrichten van smeekbedes, zoals; Du3aa Al-Istighaata, Al-Isti3ana en Al-Istida3ah.

Het is daarom dus in tegenspraak met de Tawheed wanneer je een du3aa’ verricht tot iets anders dan Allaah, of het zoeken naar bovennatuurlijke hulp en bescherming wat alleen Allaah kan. Dit zijn dus daden van shirk en zijn in tegenspraak met de Tawheed.

Dat is ook de reden waarom hij, Ibn Taymiyyah, de mensen streng veroordeelde die overdreven heiligen en graven vereerde, en hen te smeken om hen te helpen in tijden van nood, en om via hen dichterbij Allaah 3azza wa djall te komen. Hij veroordeelde hen, die de graven als beschermers namen, want niemand verdient het om bemind en gevreesd te worden behalve Allaah soebhanahoe wa-ta3ala. Alleen bij Hem dienen wij in tijden van nood hulp te vragen en alleen bij Hem dienen wij toevlucht te zoeken en alleen aan Hem dienen wij onze smeekbedes te richten. Ibn Taymiyyah concludeerde dat wanneer men via tussenpersonen dichter bij Allaah wilde komen, een praktijk was van de heidenen in de tijd van Mohammad salla Allahoe 3alaihi wa sallam, want zij behandelden hen idolen als hun bemiddelaars bij Allaah.

Tegenstanders en critici van Ibn Taymiyyah beweren dat hij niet in de Voorspraak geloofde, wat wel volledig bewezen is in de Quraan en de Soennah. Echter, zijn voorstanders beweren dat de type Voorspraak die Ibn Taymiyyah afwees, was het type dat niet bevestigd werd door de Quraan of de Soennah en ook niet door de Salaf. In feite, ibn Taymiyyah bevestigde dat iedereen die niet in de Voorspraak van Mohammad geloofde, op de Dag des Oordeels behoort tot de ongelovigen. Hij bevestigde ook dat Allaah de martelaren, geleerden, de mensen die de Quraan volledig uit hoofd kennen en de engelen voorspraak mogen verrichten namens de gelovigen op de Dag des Oordeels. Maar wat hij echter veroordeelde, was dat men aan andere mensen gingen vragen om hen te helpen op de Dag des Oordeels en om voor hen Voorspraak te verrichten. En dat is iets wat niet toegestaan is en absoluut niet kan, want Allaah is de Enige die de voorbidder kiest en Hij kiest de mensen namens wie een voorspraak mogelijk is.

Bovendien verklaart Ibn Taymiyyah dat er drie soorten van voorspraak toegestaan zijn, namelijk:
1. Voorspraak door de Namen en Eigenschappen van Allaah
2. Voorspraak door iemands goede daden
3. Voorspraak door middel van een verzoek aan rechtvaardige mensen om een du3aa’.

Hij verklaart verder dat op de Dag des Oordeels, iedereen weer zal leven, ook de Profeet salla Allaahoe 3alaihi wa sallam, en daarom is het mogelijk om hun voorspraak te verkrijgen zoals in deze wereld. We vragen namelijk aan elkaar om du3aa’ te verrichten voor de ander.

Ibn Taymiyyah verwierp het idee dat de heiligen en de Profeten moeten worden ingeroepen om de voorspraak te verrichten terwijl zij vertrokken zijn uit deze wereld. Hij beweert ook dat, Allaah 3azza wa djall de Barmhartige is en het zoeken naar voorspraak en naar intermediars om vergeving te vragen houdt in dat je een heilige of een Profeet meer barmhartiger en begripvoller vind dan Allaah.

Ibn Taymiyyah stond bekend om zijn enorm geheugen en encyclopedische kennis.
Al-Subki zei: ”Hij onthield veel en vergeleek zichzelf niet met een andere shaykh.”
Hij onderwees mensen, hij is auteur van vele boeken, hij gaf formele, juridische adviezen en in het algemeen onderscheidde hij zich voor zijn gevatheid en fotografisch geheugen. (zie Al-Subkie, Fataawaa (derde epistel van al-Durra al-Mudiyya p. 59)
 En om nog even terug te komen op zijn encyclopedische kennis, hierover leren we meer uit het boek Kamaal Ad-Dien van ibn az-Zamlakaanie, die in discussie ging met Ibn Taymiyyah over meerdere onderwerpen. Hierover komen wij te weten dat; wanneer hij werd gevraagd over een bepaald gebied van kennis, concludeerde degene die getuigde en het antwoord gehoord heeft, dat de kennis die hij bezat over elk gebied, niemand anders die kennis zo zou kunnen bezitten dan hij.” (zie Ar-Radd al-Waafir, pg. 58.)

DE MONGOOLSE INVASIE

Wat Ibn Taymiyyah’s beroemdste fatwa was geworden, is de fatwa die bedoeld was tegen de Mongolen (of Tartaren), in de oorlog van de Mamelukken. Ibn Taymiyyah verklaarde dat de Jihad op de Mongolen niet alleen toegestaan was, maar dat het zelfs een verplichting was. Hij baseerde deze uitspraak op de grond van het feit dat de Mongolen geen ware moslims konden zijn, ondanks het feit dat zij zich hadden bekeerd tot de soennitische Islam, omdat zij regeerden met behulp van ”de mens gemaakte wetten” (dit is hun traditionele Yassa code). Zij regeerden dus met hun eigen regels in plaats van de Islamitische wet of Shari3ah, en dus leefden zij een in een staat van Jahiliyya.

MADH’HAB

Ibn Taymiyyah was van mening dat vele van de Islamitische geleerdheid van zijn tijd zo erg gedaald waren in bepaalde stadium die eigenlijk tegen een goed begrip van de Quraan en de Soennah was. Hij streefde naar de heropleving van de Islaam en het begrijpen van de Tawheed en het werkelijk naleven van de Tawheed.

Ibn Taymiyah geloofde dat de eerste drie generaties van de Islam, Mohammad, zijn metgezellen, de volgelingen van de metgezellen van de vroegste generaties van de moslims, de beste rolmodellen waren voor de Islam. Hoe zij de dingen praktiseerden, samen met de Quraan, vormde schijnbaar een onfeilbare gids voor het leven. Elke afwijking van hun manier van praktiseren werd beschouwd als een bid3ah, of een innovatie, of iets wat verboden moet worden.

SOEFISME

Hij verwierp de credo die populair was bij vele Soefies (de Ash3ari credo) in veel van zijn werken, vooral in de Al-3aqiedat Al-Waasittiyyah, waarin hij de Ashaa3ira, de Djahmiyya en de Mu3tazila weerlegde. Desalniettemin werd Ibn Taymiyyah geprezen door de Soefi 3abdoellaah Mohammad ibn Qawwam, die zei: ”Onze soefisme werd alleen geluid in de handen van Ibn Taymiyyah”

DE BETEKENIS VAN DE QUR’AAN

Wanneer het op de Goddelijke Namen en Eigenschappen aankwam, verwierp Ibn Taymiyyah om een beroep te doen tegen allegorische interpretaties, speculatieve theologie (Kalam), en allerlei andere filosofische methoden als het ging om het begrijpen, of om inzicht te krijgen in het Goddelijke Wezen en in het Goddelijk Wezen zijn. Ibn Taymiyyah was er namelijk van overtuigd dat het begrijpen van de Goddelijke Namen en Eigenschappen van Allaah, begrepen zou moeten worden als hoe de Salaf het begrepen hadden, namelijk; zonder het te vergelijken met een schepping en zonder de betekenis ervan te interpreteren zoals zij denken dat het geïnterpreteerd zou moeten worden. Ibn Taymiyyah’s tegenstanders hebben hem vaak beschuldigd van antropomorfisme, omdat volgens hen hij de schijnbare betekenis bevestigde van bepaalde woorden zoals de woorden ”Hand” en ”gezicht” van Allaah. Echter, in verschillende boeken van hem verwerpt hij dit juist en concludeerde dat dit een daad van kufr is. Echter, Ibn Taymiyyah legde het uit aan de hand van een eigenschap van Allaah, namelijk; As-Samie3 (de Alhorende). Aangezien de mens ook in staat is om te horen, betekent het niet dat er een overeenstemming is tussen de Schepper en de schepping. Integendeel, Allaah is As-Samie3 (de Alhorende) op een wijze dat past bij Hem. Dus ook wanneer er in de Qoraan staat dat Allaah het kenmerk heeft van een Gezicht, dan is dit een eigenschap die alleen geldt voor Hem, zonder enige vergelijking met een schepping. Wat wel opgemerkt moet worden, is dat Ibn Taymiyyah geen dhahiri was (Iemand die in de letterlijke betekenis gelooft).

NIET-MOSLIMS

Ibn Taymiyyah was fel tegen het immiteren van de Christenen of andere niet-islamitische religies. In zijn boek: Kitab Iqtida al-siraat al-mustaqiem, predikte hij dat het begin van het Islamitische leven, het moment was waarop er een ”perfect verschil met de niet-moslims is bereikt”. Hij was fel tegen het vieren van de verjaardag van de Profeet Mohammad salla Allaahoe 3alaihi wa-sallam en van het bouwen van moskeën rondom de graven van de Sufi ”heiligen”. Hij zei ook: ”Vele van hen (de moslims) weten niet eens de christelijke oorsprong van deze praktijken. Vervloekt het Christendom en zijn aanhangers!”

ZIJN STUDENTEN

Dat waren;

Ibnoel Qayyim (1292-1350)
Al-Mizzi (1256-1341)
Ibn Kathir (1301-1372)
Al-Dhahabi (1274-1348)
Al-Birzali (1267-1339)
Mohammad ibn Abdoel Wahhab (1703-1792)

IBN TAYMIYYAH’S WERK

Ibn Taymiyyah heeft een omvangrijke kennis achtergelaten. Ibn Al-Qayyim al-Jawziyya heeft 350 boeken van hem verzameld en 500 andere werken zijn verzameld door zijn andere leerling, Al-Dhahabi. Zijn werk werd opnieuw gepubliceerd in Syrië, Egypte, Arabië en India.
Zijn werk werd gekenmerkt door haar rijke inhoud, de soberheid en de behendige polemische stijl.

Een overzicht van Ibn Taymiyyah’s boeken en essay’s

•    Majmoe3 Al-Fataawa Al-Kubra. Dit was eeuwen na zijn dood verzameld en het bevat een aantal werken die hieronder worden vermeld.
•    Minhaj As-Soennah An-Nabawiyyah (volume 1-4)
•    Majmoe3 Al-Fatawa (volume 1-36)
•    Al-3aqiedah Al-Hamawiyyah
•    Al-3aqiedah Al-Waasittiyyah
•    Al-Asma wa’s Sifaat (volume 1-2)
•    Al-Iemaan
•    Al-Djawaab as Sahih li man Baddala Dien al-Masih (7 volumes)
•    As-Sarim Al-Masloel 3alaa Shatim Ar-Rasoel (Dit heeft hij geschreven naar aanleiding van een incident waarbij ibn Taymiyyah een christelijke hoorde die Mohammad salla Allaahoe 3alaihi wa sallam beledigd had. Het boek is erg nekend, omdat hij het geschreven heeft met een goed geheugen terwijl hij in de gevangenis zat.)
•    Fatawa Al-Kubra
•    Fatawa Al-Misriyyah
•    Ar-Radd 3alaa al-Mantiqiyyin
•    Naqd at-Ta’sis
•    Al-3uboediyyah
•    Iqtida3 As-Siraat Al-Mustaqiem
•    Al-Siyasa Al-Shar3iyyah
•    At-Tawassoel wal-Waseela
•    Sharh Futuh al-Ghayb

Sommige boeken van hem zijn vertaald naar het Engels

•    The Friends of Allah and the Friends of Shaytan
•    Kitab al Iman: The Book of Faith
•    Diseases of the Hearts and their Cures
•    The Relief from Distress
•    Fundamentals of Enjoining Good & Forbidding Evil
•    The Concise Legacy
•    The Goodly Word
•    The Madinan Way
•    Ibn Taymiyya against the Greek logicians

Categorieën